Mijn Mythische Vader

Mijn bezoek aan het Ereveld Pandu in Bandung 1990

Verdriet speelt een rol in dit verhaal. Maar ook de Schaduw die het vooruit werpt – de angst voor verdriet. De angst om je over te geven en de pijn die het kost om je in te houden. Deze foto, afgedrukt in de Times van 27 oktober 2003, van een Amerikaanse soldaat in Irak, die rouwde om de dood van zijn mede-soldaat, greep mij aan.

Zo is het: Het beklemmende. De hand naar je keel brengen, om je kleding open te scheuren. Om je Verdriet er uit te scheuren.

Dat was wat ik in deze foto zag, en waarin ik ook een deel mijzelf herkende.

Op zoek Het zoeken naar mijn vader heeft veel tijd in beslag genomen. Van een grote en knappe, alom aanwezige man van welhaast mytische proporties, moest hij langzamerhand mijn vader worden. Maar dat betekende dat ik ook moest erkennen dat hij gestorven was – veel te jong – en ergens begraven lag.

Ik wist dat hij op het Tin-eiland Bangka was achtergebleven tijdens de inval van de Japanners in 1942, en dat hij daar gevangen was genomen. Mijn moeder had hij opgedragen om mee te gaan met een eskader onder leiding van Karel Doorman, naar Batavia. Zij was toen al zwanger van mij. Ook wist ik dat hij in Belalau gestorven was. Ergens op Sumatra, wist ik.

Waar de plaats precies lag, kwam ik pas veel later achter, na het lezen van de standaardwerken van Dr. L. De Jong: “Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede WereldOorlog”. In deel 11 over de oorlog in Nederlands Indië.

Op pag. 819 las ik voor het eerst van mijn leven een verslag over de geinterneerden in Zuid-Sumatra: “Van Muntok werden de mannen, voorzover nog in leven (tweehondernegen-en-vijftig waren bezweken) begin maart ’45 naar Sumatra teruggevoerd: naar koelieloodsen op een verlaten rubberonderneming bij Loeboeklinggau”. Na het bestuderen van gedetailleerde kaarten in de Kaartenzaal van het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam, bleek dat de naam van de rubberonderneming Belalau was, iets boven het plaatsje Loeboeklinggau.

Ook dat hij inmiddels herbegraven was op het Nederlandse Ereveld in Pandu bij Bandung. Daar kwam ik pas veel later achter. Héél veel later. Ik weet nog steeds niet of mijn moeder het bericht over het herbegraven van mijn vader, van de Oorlogsgravenstichting nu echt niet ontvangen heeft – zoals zij steevast beweerde. Of dat zij uiteindelijk die hele geschiedenis maar heeft “weggeblokkeerd”. “Het maakt mij zo verdrietig”, legde zij uit.

Binnen Handbereik

In de jaren 70 werkte Partner in Jakarta, en woonde in een paviljoen aan de Jalan Lembang in de wijk Menteng. Van oudsher een chique wijk. Ik was in de gelegenheid om vanuit Amsterdam een paar keer over te komen. We hebben in die tijd veel tochten gemaakt en zijn toen zelfs naar Bandung en Lembang geweest. Had ik toen geweten dat mijn vader binnen – om het zo maar te zeggen – ‘handbereik’ lag!

Heel lang heb ik er daarna over gedaan om aan het idee te wennen, dat ik ooit zelf eens aan zijn graf zou staan. De gedachten aan die confrontatie vervulden mij steeds met veel zorg en allerlei angsten.

“Zou ik het wel aan kunnen?”.

“Zou ik niet te veel gaan huilen?”

Zou ik wel gaan huilen?”

Zou het niet een vreselijke teleurstelling betekenen?”

Wat zou ik daar vinden?”

“Zou ik dit , en zou ik dat …”

Een warwinkel van veel Ingewikkelde en omtrekkende vragen spoelden door mij heen.

Anderen gaan

Inmiddels maakten vrienden van mij hun eerste tocht-terug naar Indië. Ik had hen leren kennen in de Vereniging van “Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap 1942-1946” . Met hen had ik intensieve en emotionele ervaringen gedeeld tijdens door de vereniging georganiseerde ontmoetingsweekenden. Zij beloofden om ook voor mij een bezoek te brengen aan het Ereveld Pandu. En zo mogelijk bloemen op het graf van mijn vader te plaatsten.

Na hun reis spraken wij met elkaar af op een Landelijke OntmoetingsDag die de Vereniging KJBB in de Reehorst had georganiseerd. Dat was eind jaren 80. Bob had foto’s meegebracht van dat bezoek, die hij mij graag wilde laten zien. “Maar op een rustige plaats “, voegde hij er aan toe. Achter in de zaal, aan een eettafel, vertelde Bob over zijn reis. De foto’s waren heel zorgvuldig en bewust in een bepaalde volgorde gelegd: de ingangspoort naar het Ereveld, het kantoor van de administratie, een overzicht van het kerkhof……

Al die honderden kruizen, steeds dichterbij kwamen de foto’s! Ik kon het niet helpen, maar opeens kwamen de tranen, nog voordat de laatste foto’s, die van het graf van mijn Pa, op tafel lagen. Er brak zoveel verdriet los. Waarom???

Een jaar later gingen mijn half-zuster en haar man naar Indonesië. Ook zij legden bloemen op het graf van mijn vader. Ook hun verhalen maakten langzamerhand de ‘plattegrond’ van het Ereveld duidelijker. Alsof ik er zelf geweest was. Zo had ik mij de details eigen gemaakt.

Ook Tante Het ging…

En als klap op de vuurpijl ging plotseling ook mijn tante Het, de enige zuster van mijn vader, – en de laatste getuige van dat tijdperk – naar ‘Indie’, zoals zij Indonesië nog steeds bleef noemen. Kort voor haar vertrek was ik nog bij haar en haar man, oom Frans, op bezoek geweest. Een reis naar Indonesië lag toen helemaal niet in het verschiet. Tante Het had daar allerlei redenen voor: “Je vind toch nooit meer terug wat je hebt achtergelaten” en “het huidige zelfstandige Indonesië, met al die eigengereide Indonesiërs”. Nee, dat sprak haar helemaal niet aan. Toch was op de een of andere manier haar onwil doorbroken, en was zij gegaan.

De werkelijkheid is anders

Maart 1990 ben ik dan eindelijk zelf gegaan. Terug naar mijn geboortegrond. Samen met Partner. Wij vlogen met de Garuda Airways. Een lange vlucht, met veel tussenstops. En tot overmaat van ramp waren bij aankomst in Jakarta onze koffers niet meegekomen vanuit Singapore. Dat betekende vele uren wachten op de luchthaven. Maar uiteindelijk kwamen wij toch in Bandung terecht. Wij logeerden daar in Hotel Sangkuriang, een alleraardigst hotel ver buiten het centrum. Onder Nederlandse leiding. De volgende morgen namen wij een taxi met bestemming Pandu. De auto was oud en de chauffeur zag er niet echt uit als je van een taxichauffeur zou mogen verwachten.

De plattegrond van Bandung kende ik inmiddels bijna van buiten, en ik had het gevoel dat ik de weg ook helemaal kende. Zo sterk was dat gevoel, dat ik op een gegeven moment dacht, helemaal verkeerd te rijden. Dit kon de weg naar Pandu niet zijn. De weg was ongelijk en hobbelig. De taxichauffeur moest heel voorzichtig manoeuvreren tussen de vele kuilen in de straat. Overal drukte en overal stalletjes met van alles en nog wat om je heen.

Maar opeens, na een bocht… Daar was de ingangspoort van het algemene kerkhof …en toen had ik de situatie weer in handen.

Ik herkende alles weer. Iedereen had zo zijn best gedaan om op al mijn vragen in te gaan en mij een zo gedetailleerd mogelijk verslag te doen:

… Hoe je er moest komen. Dat je moest tawarren voor de bloemen. Dat je daar toch maar niet kwaad over moest worden. Dat de beheerder van het Ereveld een bijzonder aardige man was. Hoe mooi het kerkhof onderhouden was, en dat je dat vooral ook aan de beheerder moest zeggen……

Mijn eerste daad zou dus zijn om bij de toegangspoort te beginnen met het kopen van bloemen kopen en tawarren, dan door de poort en vervolgens doorlopen naar achteren en dan kom je vanzelf op het Ereveld terecht.

Het tawarren gaf geen problemen, en door allerlei misverstanden van de kant van de verkoper kreeg ik zelfs twee bloemstukken voor de prijs van een! Met deze bloemstukken, lila orchideeën, tegen mijn borst geklemd, zie ik mij later – nogal kordaat – wegwandelen, richting Ereveld. Dat is door Partner vastgelegd op de Video. Uit de ingesproken tekst op de video band begreep ik pas later, dat Partner vond dat ik zelfs “een beetje driftig” wegliep.

Uiteindelijk sta ik dan op de plek waar ik al zo lang over gefantaseerd heb. Halverwege de begraafplaats staat een huisje met de Registers. Daar kun je de vakken, en de juiste plaats van het graf op naam van de persoon opzoeken.

De werkelijkheid is anders.

Het is warm, tropen-warm. De sfeer is sereen. De lucht is vervuld van rust, een soort helende rust. De grote groene grasvlakte, met de mooie paarse bougainvilla’s en andere tropische planten en dan…

Die witte kruizen. Zoveel …

De horizon wordt omlijst door bergen, waarvan de toppen slechts vaag zichtbaar zijn door de laatste resten van de ochtendnevels. Al snel vind ik het kruis van mijn vader. Ik kniel ervoor en innerlijk kom ik tot rust. Nog even probeer ik mij te verzetten. Mijn andere ik tracht het masker van zelfbeheersing vast te houden.

Maar het is Partner die naast mij komt zitten en mijn hand vast houdt, en eindelijk kan ik dan huilen. Het geeft niet dat ik niet weet waarom. Mijn hart stroomt leeg, als een waterval.

Samen huilen wij en dat geeft rust.

Humphry Goes

Geschreven in Caudeval, aan de voeten van de Pyreneeën, oktober 2003

Geplaatst in Indische jeugdherinneringen | 2 reacties

Kodomo No Hi

Koinobori (Japans wiegelied op You Tube)

Image

Kodomo No Hi

Op 5 mei wordt in Japan het “Kinderdag” feest gevierd. Het is een nationale feestdag. Kodomo no hi. Oorspronkelijk was het een feest om de kleine jongetjes een gezonde en succesvolle toekomst toe te wensen. Uiteraard speelden toen meisjes geen rol. Inmiddels is dat veranderd. Meisjes doen ook gewoon mee.

Ik werd geboren op 20 juni 1942 in de koele bergstad Malang (Oost Java) tijdens de Japanse bezetting. Mijn moeder was in februari van dat jaar gevlucht van het eiland Banka. Zij was toen al zwanger van mij. Mijn vader was daar net aangesteld als inspecteur van politie te PangkalPinang. Hij stond erop dat zij weg moest gaan, vanwege de gruwelverhalen die rondgingen over wat Japanners allemaal deden met vrouwen. Zij kon nog mee met een eskader onder leiding van Karel Doorman dat toen in de Straat van Banka patrouilleerde. Met een prauwtje werd zij en nog andere vrouwen, waaronder nonnen, gevaren naar een Engelse torpedo jager. Later vertelde zij nog dat “die nonnen aan boord, toch een slecht voorteken waren”. Het eskader werd aangevallen door Japanse Zero’s. Vlak voor de torpedojager viel een bom, die in zee ontplofte en geen schade aanrichtte. De vrouwen lagen op het dek. Van de bom vielen wel enkele granaatscherven op het dek en mijn moeder vertelde “dat zij er naar toe kroop en een scherf inpikte”. Het eskader kwam ongeschonden aan in Batavia.

Mijn moeder moest verder reizen naar Malang waar mijn oma en de zuster van mijn vader, Tante Hetty een modewinkel hadden aan de Tjelaket. Na een paar dagen in Batavia, waar zij regelmatig vanwege de vele luchtalarmen moest schuilen in openbare schuilkelders , lukte het haar om met de trein naar Malang te reizen. Tijdens het begin van de bezetting was er nog enige bewegingsvrijheid voor de vrouwen en kinderen. De mannen waren al vrij direct opgepakt en naar kampen gebracht. Ik werd nog in een ziekenhuis geboren en mijn oma heeft mij nog laten inschrijven in het Malangse bevolkingsregister met de namen Humphrey Johan Bastiaan. 

Hoe het kwam zal voor altijd een mysterie blijven,  maar er was een Japanse officier, die regelmatig bij ons thuis kwam. Het verhaal gaat dat hij een “oogje had op mijn Tante Het”. Verder had hij veel respect voor mijn oma. Hij was kunstzinnig en geïnteresseerd in de Franse geschiedenis. Mijn oma had ook een welluidende Franse achternaam: Cocheret . Mijn moeder vertelde altijd dat, – wanneer hij aankwam – hij allereerst naar mijn wiegje liep en mij in zijn armen nam. Al wiegend zong hij dan een Japans kinderliedje. Het kan niet anders zijn geweest, dat hij – in het verre Japan – ook een zoontje had, die hij had moeten achterlaten. Pas recent – nu ik al bijna de 70-jarige leeftijd ga bereiken -, ben ik mij gaan verdiepen in Japanse kinderliedjes. Er is 1 liedje dat zeer populair was. Kodomo No Hi. Via You Tube terug te luisteren. (zie boven )

Mijn vader heb ik nooit mogen kennen. Wel heeft hij nog via een brief een foto van mij als baby ontvangen. Hij wist dus dat hij een zoontje had. Hij stierf ergens anders aan ondervoeding en ontberingen, in een Japans kamp. Een voormalige rubberonderneming Belalau,  in Zuid Sumatra. En heeft dus nooit voor mij kunnen zingen. Misschien was dit wel het pad dat ik moest gaan. Een vader, die niet mijn vader was – maar een vijand – was gelukkig omdat hij even dacht dat hij zijn eigen zoontje in zijn armen hield. Tot op heden heb ik de wens gekoesterd om een speurtocht te maken naar die Japanse officier.

Het zal nooit meer lukken, denk ik. Ik besef dat hij al overleden kan zijn. Maar…misschien? Stel je voor – zo fantaseer ik vaak – is zijn zoon, die even oud moet zijn als ik, nog in leven? En heeft hij later het verhaal van zijn vader gehoord. Het is zoeken naar een speld in een hooiberg, weet ik. Slechts zijn naam was mij door mijn moeder doorgegeven: Kawase. Maar dat zijn er zovelen in Japan.

(geschreven op november 2011 te Amsterdam)

Geplaatst in Indische jeugdherinneringen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Moderne Indonesische popmuziek

Wesehwesehwes

Moderne Indonesische popmuziek:

 

Modern Indonesian Pop-Music. During my last visit to Malang in 2007, I was sitting in an Internet Shop. Next to me were a group of young students. They played modern Indonesian Pop. And the sound reminded me of the music of Mus Mulyadi. I talked to them and they were so nice to put their music on my usb-stick

Geplaatst in Indische jeugdherinneringen | Een reactie plaatsen